Toets "Enter" om naar de inhoud te gaan

In het bos

Dus ik stond daar, midden in het bos, en zei tegen dat hert.\r\n\r\n“Zeg Charley, kun je me de weg naar de parkeerplaats wijzen?”\r\n\r\nBoos dat ie werd.\r\n\r\n\r\n\r\n“Ik heet geen Charley godverdomme, ik heet Leonard! Jullie soort dat ons altijd maar koosnaampjes geeft, het moet eens afgelopen zijn met die bullshit! Ik noem jou toch ook geen Peter, of Klaas, of Joran, nee ik vraag naar je naam en dan pas gebruik ik een naam voor je. En anders ben je gewoon een meneer.”\r\n“Nou ehm, sorry hoor LEONARD. Maar kun je me nou de weg wijzen naar de parkeerplaats of wat? Ik heb niet de hele dag de tijd ofzo.”\r\n“Je krijgt de tyfus maar!” Als ie zijn middelvinger op had kunnen steken had ie het vast gedaan, en hij liep weg.\r\n\r\nDus ik stond daar nog steeds, midden in het bos, maar ik moest niet midden in het bos zijn he, ik moest naar de parkeerplaats. Daar stond mijn auto immers en ik moest naar huis. Ik besloot terug te lopen over hetzelfde pad dat me hier gebracht had. Ik had anderhalf uur gelopen, en ergens had ik gedacht dat ik alweer bijna bij de parkeerplaats moest zijn. Misschien had ik ook gewoon op het pad moeten blijven, maar zo ben ik niet. Al uren had ik geen mens gezien, mijn water was op, mijn eten was op en mijn energie droop langzaam maar zeker door mijn versleten zolen de grond in waar ik op liep. In de verte zag ik een wit konijntje zitten, het zat rechtop zijn achterpoten te genieten van de zon en een sigaretje, ja konijnen roken schijnbaar ook gewoon. Ik liep naar hem toe, met de opmerking van Leonard nog vers in mijn herinnering, bedacht ik me dat ik eerst zijn naam moest vragen, of gewoon konijntje tegen hem moest zeggen.\r\n\r\n“Zeg konijntje…”, ik kon mijn zin niet eens afmaken.\r\n“Konijntje, konijntje!” bulderde het konijntje, hij blies de rook door zijn neusgaten naar buiten, gooide zijn sigaret naar mijn gezicht, en ging rechtop staan. Ik was nog nooit zo fucking bang voor een konijntje geweest.\r\n“Ik ben godverdomme een volwassen konijn, jongetje, en kun je me niet gewoon Peter noemen of Nijntje zoals al jullie milieuvervuilers! Konijntje, wie denk je verdomme wel niet dat je bent, jullie soort is echt niet superieur ofzo! Wat moet je, ik zat hier gewoon lekker te genieten van de zon, een sigaretje en een kopje koffie op mijn oude dag, moet jij niet gewoon op het pad blijven?! Dat hebben we toch duidelijk afgesproken met jullie leidinggevende! Maar luisteren ho maar, jullie breken de hele tyfus bende hier af in het bos, en dat is al langs de paden, en dan gaan jullie ook nog eens van het pad af en verstoren ons in ons luxe bestaan! Of dacht je dat al die klote series van Zeur David Attenborough echt zijn! Heus niet daar krijgen we gewoon fucking goed voor betaald! Sta je hier nou nog met je achterlijke mensen lichaam! Op donderen, mijn bos uit! Sodemieter op!”\r\n“Maar maar maar” ik wist niet dat dieren zo agressief konden zijn.\r\n“Wat nou maar maar, sodemieter op, die kant op, terug naar je pad! Rot op!” schreeuwde het konijntje, en hij begon met dennenappels te gooien naar me.\r\n\r\nIk liep, nee sorry, ik rende, in de richting dat het konijntje had aangewezen maar na 20 minuten was ik nog niet bij het pad. Hoe was ik hier in vredesnaam te recht gekomen. Of nog belangrijker, hoe kwam ik weer bij de parkeerplaats. Nog eens 10 minuten later kwam ik bij een meertje. Een meertje? Dit was de eerste keer dat ik het meertje zag, terwijl ik om het meertje heen liep om een pad te vinden hoorde ik muziek. Aan de overkant van het meertje stond tussen de bossen een grote tent, de muziek kwam daar overduidelijk vandaan, dus ik besloot die kant op te lopen. Waar muziek was, moesten toch ook mensen zijn, en mensen wisten vast hoe ik terug moest komen naar de parkeerplaats. Ik kwam dichter en dichter bij de tent, en de muziek werd duidelijker en intenser. Een soort mantra achtige tune nam bezit van mijn lichaam en ik werd naar de tent toe getrokken, nu was dat niet zo erg, want ik wou er toch heen, maar creapy was het wel. Ik trok het doek van de tent aan de kant en stond oog in oog met 25 vossen en een hele bange kalkoen. Het werd dood stil, de 3 vossen die bezig waren de muziek te maken stopte met spelen, het vuur waarop een grote zwarte ketel stond stopte met knetteren, zelfs het water wat in de ketel zat stopt met koken. De enige die geluid bleef maken was de kalkoen.\r\n\r\n“Help me, help me.”, fluisterde de kalkoen.\r\n“Wat moet je hier mens?” Een oude vos met een zwarte lap voor zijn rechteroog en de schedel van een kalkoen op zijn kop stond op.\r\n“Wat moet je hier mens?” Hij herhaalde de vraag. Alsof ik hem de eerste keer niet gehoord had maar ik was nog even met stomheid geslagen over het tafereel wat ik voor me zag.\r\n“Hee klootzak, ik vraag het niet nog een keer wat de fuck moet je hier!”\r\n“Ik ehm, ik”, ik wist het niet meer, wat wou ik ook alweer. Ohja, de parkeerplaats. “Ik moet naar de parkeerplaats.”\r\n“De parkeerplaats is hier 16 kilometer vandaan. Hoe ben je hier terecht gekomen. Voor wie werk je?”\r\n“Ik heb geen idee hoe ik hier gekomen ben, ik was van het pad af gegaan omdat het mooier leek, toen kreeg ik ruzie met een hert, daarna met een konijn, en die heeft me compleet de verkeerde kant op gestuurd en nu ben ik hier om te zien hoe jullie een kalkoen ritueel aan het slachten zijn.” Dit was blijkbaar niet het juiste antwoord. Ik voelde nog net hoe ik met een knuppel op mijn achterhoofd geslagen werd, en hoe het bloed vanuit de wond op mijn hoofd langs mijn nek over mijn rug mijn bilnaad in liep. Mijn hersenen vonden het tijd voor een dutje, en langzaam vervaagde het beeld van de oude vos voor mijn ogen.\r\n\r\nToen ik weer bij kwam voelde ik de wond op mijn hoofd kloppen, maar schijnbaar was een van de vossen medisch onderlegd, want toen ik met mijn hand aan de wond voelde zat er een mooi verband omheen. Ik keek om me heen en zag dat ik aan de rand van het meer lag, de tent was verdwenen en ook de muziek. Ik probeerde op te staan, maar dat vond mijn hoofd nog niet zo’n goed idee. Op mijn knieën zitten, dat mocht wel, en ik kon wat verder rond kijken. Achter me was een trap, zo’n zandtrap met bielzen afgezette treden, daar moest toch wel een pad zijn dat me terug kon brengen naar de parkeerplaats. Op handen en voeten kroop ik naar de trap, en tree voor tree klom ik omhoog. Er was inderdaad een pad, na 5 minuten kruipen mocht ik ook weer staan, en kon ik lopend verder gaan. Na een minuut of 10 lopen was ik nog steeds geen andere mensen tegen gekomen, terwijl het nog wel zo’n mooie dag was, je zou verwachten dat een pad naar een bosmeertje vol zou stromen op dit soort dagen, maar nu niemand. Ik bleef het pad volgen, om na 20 minuten lopen weer uit te komen bij hetzelfde meertje. Of was dit een ander meertje, het zag er wel hetzelfde uit, dezelfde trap, hetzelfde soort zand, dezelfde bossage langs de randen. Maar hier stond een huisje, en dat stond bij het andere meertje niet. Een huisje, als dat geen mensen betekende wist ik het ook niet meer. Ik liep een rondje om het huisje heen, maar zag niemand. Ik voelde aan de deur, deze ging piepend open. De houtenvloer kraakte onder mijn voeten. Ik keek rond, een tafel, een bankstel, een tv, een aantal schilderijen van landschappen en mensen, hier moest een heus exemplaar van de menselijke soort wonen. Zou hier iemand permanent wonen? Of zou het een vakantiehuisje zijn, en zou de eigenaar er niet zijn. Ik besloot te wachten, en mezelf te verzorgen. Ik had extreem veel honger, en dorst, en eigenlijk was ik ook best moe. Na enige tijd zoeken vond ik in een kastje een pak rijst, en zette een pan op het vuur om het klaar te maken. Rijst had nog nooit zo lekker gesmaakt, net als het water dat ik dronk. De eigenaar van het huisje was nog steeds niet terug gekeerd, dus besloot ik een dutje op de bank te gaan doen. Ik sliep nog maar net toen de deur van het huisje lomp open getrapt werd. Geschrokken schoot ik omhoog, voor mijn gevoel vloog ik een meter de lucht in. Ik draaide mijn hoofd naar de deur en keek recht in de ogen van een tijger. Ik schrok me de pleuris en verschool me achter de rugleuning van de bank. Alsof dat helpt.\r\n\r\n“Jij smerig stuk stinkend mensenras! Wat moet jij in mijn huis!” bulderde de tijger.\r\nOh man het zeik regende langs mijn benen naar beneden.\r\n“En godverdomme mijn vloer nog onder zeiken ook! Rot op, op donderen, serieus ik verbreek mijn vegetarische maand speciaal voor jou als je nu niet verdwijnt!”\r\nZonder wat te zeggen rende ik langs de tijger naar buiten, toen ik langs rende haalde de tijger nog even uit naar mijn been, en scheurde mijn broek in stukken.\r\n\r\nIk bleef rennen, en rennen, en rennen, tot ik niet meer kon, uitgeput liet ik me op het pad vallen.\r\n“Ik blijf hier wel liggen.” De gedachte was nog maar net mijn hoofd binnen gekomen toen in de verte een varkentje aan kwam lopen. Een penetrante lucht prikkelde mijn neus, en hoe dichter het varkentje bij me kwam, hoe sterker de lucht werd. Het varkentje kwam voor me staan en begon te huilen.\r\n\r\n“Jij vind zeker ook dat ik stink!”, snikte het varkentje.\r\n“Nou ja, prettig is anders, maar stinken.” Het was een slechte leugen, ik weet het, maar ik moest het varkentje te vriend proberen te houden, misschien kon hij me naar de parkeerplaats brengen.\r\n“Ja zie je wel! Je vind dat ik stink! Het komt door jullie hoor, jullie mensen, jullie hebben mij, en mijn voorouders vol gespoten met allerlei rotzooi en nu stink ik een uur in de wind.”\r\n“Ah joh het valt echt wel mee, heb je niet in iets raars gelegen ofzo? Er is hier verder op een meertje daar wil ik je wel even helpen met wassen.”\r\n“Echt waar? Maar, je gaat me toch niet op eten he, want dat doen jullie!”\r\n“Nee, het enige wat ik wil is terug naar de parkeerplaats, als ik jou was, breng jij me naar de parkeerplaats.”\r\n“Deal.”\r\nZo gezegd, zo gedaan, ik liep met het varkentje naar het meertje, en daar heb ik dat varkentje even gewassen. Tijdens het wassen gebeurde er iets magisch, het varkentje veranderde langzaam maar zeker in een levensgrote buizerd.\r\n\r\n“Je vraagt je zeker af wat er gebeurd.” Begon de buizerd, en ik knikte.\r\n“Zo’n anderhalf jaar geleden was dit nog een gewoon bos, de herten, vossen, konijnen, en andere beesten in het bos waren gewoon zoals je het kent van de series van Sir David Attenborough. Op een zekere dag kwam hier een groepje projectontwikkelaars om paden aan te leggen. Een van deze paden liep recht over een krachtbron waarvan niemand het bestaan kende. De krachtbron scheurde open en het bos werd betoverd. Iedereen die hier woonde kreeg menselijke trekken, vandaar dat de vossen bij elkaar in een cult zitten, de konijnen roken en koffie drinken, en de herten gewoon heel agressief en zelfbewust zijn. De krachtbron bleek van een tovenaar te zijn, en die vertelde mij dat als ik iemand kon vinden die mij als stinkend varkentje wou wassen, ik de betovering kon verbreken en zelf levens groot zou worden zodat ik het bos tegen nieuwe projectontwikkelaars kon beschermen. Maar ik mocht alleen gewassen worden door mensen, en dan nog specifiek mensen die van het pad af zouden wijken. Jullie mensen zijn braaf, en ik stonk, dat hielp ook niet echt. Een half jaar geleden werd dit bos bestempeld als mileugevaarlijk en werd het mensen afgeraden hier te komen. In het eerste jaar heb ik de overige bewoners nog proberen te overtuigen om mensen die van het pad af raakte naar mij te sturen, maar hoe meer de menselijkheid in ze kwam te zitten, hoe minder ze er voor voelde om terug te gaan naar hun oude dierlijkheid. In het laatste half jaar hebben ze dan ook meerder mensen vermoord, je hebt echt geluk dat je de beer, of de tijger niet tegen gekomen bent.”\r\n“Ik ben de tijger wel tegen gekomen, daar in het huisje. Hoe denk je anders dat mijn broek zo gescheurd komt.”\r\n“Ik dacht dat je misschien aangevallen was door de wandelende takken.”\r\n“Aangevallen door de wandelende takken.” Ik was blij dat ik maar een paar figuren uit dit bos was tegen gekomen geloof ik.\r\n“Ja, die hebben een beetje een broekfetish sinds de betovering. Anyways, er zijn in de afgelopen anderhalf jaar maar 2 mensen eerder bij me geweest. De eerste had al 4 dagen door het bos geslenterd en had honger, en probeerde me te vangen om me op te eten. Na een kleine achtervolging wist ik hem in een hoek te drijven en kon ik hem met een steen op zijn hoofd slaan. Het voelde zo goed om dat te doen, maar maakte me meteen ook bang dat ik ook vergiftigd zou worden met menselijkheid. Toen een half jaar geleden de tweede jongen kwam, hoopte ik dat ik gewassen zou worden. Hij was net een half uur van het pad af, had nog geen slechte ervaring gehad, en ik had mijn uiterste best gedaan mijn vriendelijkheid te bewaren. Maar het bleek een arrogant verwend snert jonk te zijn dat thuis maar met zijn vingers hoefde te knippen om alles gedaan te krijgen wat hij maar wilde. No way dat hij me ging wassen. Hij zei dat ik stonk, en dat ik als varken geen recht had om te leven in een bos, maar thuis hoorde in een stal met een halve vierkante meter ruimte en geen ramen om naar buiten te kijken. Ik werd woest, en begon zo hard te gillen dat de beer erop af kwam. De beer verscheurde de jongen nog voor dat het klote joch kon reageren. Ik dacht eerlijk gezegd dat ik niet meer bij zou komen van het lachen. De jongen smaakte nog best goed trouwens, zo zie je maar weer dat luxe in je lichaam gaat zitten. Anyways, toen jij aan kwam lopen had ik de hoop eigenlijk al opgegeven. Ik hoopte dat mijn tranen jou aan het lachen zouden maken, zodat ik boos kon worden op je en je op kon eten.”\r\nOké, dit was niet het verhaal wat ik verwachtte en eigenlijk maakte me het een beetje bang, ik bedoel wat als de betovering niet verbroken was, zo’n reusachtige buizerd maakt wel wat meer kans om me te verscheuren dan dat kleine stinkende varkentje van net.\r\n“Maar je wou me wassen, een ander menselijk gevoel vulde mijn lichaam. Blijdschap, ik had echt niet verwacht dat iemand me ooit nog zou willen wassen, maar hier ben je, en hier ben ik. Reusachtig groot. En een verbroken betovering. Ik ben je eeuwig dankbaar. Wat kan ik voor je doen!”\r\n“De parkeerplaats hadden we afgesproken vriend, je zou me naar de parkeerplaats brengen. Please, ik wil naar huis.”\r\n\r\nIk was er opzich wel klaar mee, en ergens was ik ook wel bang dat ik alsnog het eerste maaltje van de buizerd zou worden. Ik bedoel als de betovering verbroken zou zijn dan zou de buizerd immers niet meer kunnen praten, en dat deed hij nog steeds. Niets was minder waar, de buizerd ging liggen.\r\n“Klim maar op mijn rug, dan vlieg ik je er wel heen, dat is makkelijker en sneller dan dat ik je ga vertellen hoe je bij het echte pad terug moet komen, en je dat hele klote eind nog moet lopen. Daarbij, vliegen is tof.” Zei de buizerd.\r\n\r\nDat was waar, en ik klom op de rug van de reusachtige buizerd. Hij spreidde zijn vleugels en we stegen op. Vanuit de lucht was te zien dat het bos echt geweldig groot was, veel groter dan op de plattegrond werd aangegeven. We vlogen ongeveer een half uur recht over de hoge bomen, dicht op elkaar, waardoor vanuit de lucht nauwelijks een pad te zien was. Waarna we uiteindelijk bij de parkeerplaats uitkwamen.\r\n\r\n“Bedankt voor de lift meneer Buizerd” zei ik.\r\n“Charley.”\r\n“Wat?”\r\n“Mijn naam is Charley.”\r\n\r\nCharley vloog weer weg, en ik stapte in mijn auto. Ik reed weg van de parkeerplaats en keek nog een keer in mijn achteruitkijkspiegel. Het bos was verdwenen, Leonard, Peter, de 25 vossen met hun kalkoen, de tijger en Charley, allemaal weg. Ik draaide mijn auto en reed terug naar de parkeerplaats, de parkeerplaats die uit puilde van de auto’s, groepen jongeren, ouders met hun kinderen, vrienden en vriendinnen allemaal over een klein pad, richting een meertje, met een huisje, en een dierentuin, op deze mooie dag.

%d bloggers liken dit: