Toets "Enter" om naar de inhoud te gaan

Eigen Eten Vangen

Ik lig op mijn buik, op het warme, platte dak. Over de rand kijk ik naar de mensen die voorbij lopen. De mensen die doelloos rondlopen over straat. Ja, voor hun doen zullen ze wel druk zijn, maar het ziet er allemaal zo random uit. Alsof ze geen bestemming hebben, geen functie, geen doel. Ze mogen van mij allemaal wel verdwijnen. De zon brandt hoog in de lucht en verwarmt mijn luie lichaam. Ik moet gapen en rek mezelf uit. Mijn maag knort, misschien moet ik eens wat gaan eten. Zo lui als ik ben, sta ik langzaam op en rek me nog een keer uit. Eerst maar eens kijken wat mijn mens heeft neergezet. Met een soepele sprong, spring ik van het hoger gelegen dak af, naar het lager gelegen dak. Het raam zit dicht. Wat is dat nou weer voor onzin. Ik heb nog zo tegen mijn mens gezegd dat hij het raam open moest laten. Duidelijk gemeld. Meerdere malen. Stomme mensen. Dat wordt dus weer zelf eten fixen.\r\n\r\nVia de boom naast het dak, klim ik naar beneden. Eerst maar eens kijken of ik bij de buren wat kan krijgen. De buren hebben een kattenluikje, maar ze hebben ook een hond. Het is dus een gevaarlijke onderneming. Ik kruip onder de schutting door. Nu sta ik tussen de struiken van de buren. Vanuit daar heb ik een goed zicht op het huis. De achterdeur is dicht, dus de mensen zijn niet thuis. Met een beetje geluk zijn ze aan het lopen met dat monster van ze. Ik bedoel de hond voor de duidelijkheid. Er woont hier ook een vrouwtje. Een prachtig wit exemplaar van de katachtigen hier in de buurt. Alleen haar karakter. Pfoi! Ze heeft een ongelofelijk ochtendhumeur, of eigenlijk een hele-dag-humeur. Er hoeft maar een plukje stof bij haar in de buurt te komen, of ze blaast er op los. Mijn maag knort nog een keer. Ik ga toch echt wel proberen daar wat eten te halen. Nog even een vluchtige blik door de tuin. Niemand te zien. Voorzichtig loop ik poot voor poot naar het kattenluikje en steek mijn kop naar binnen.\r\n\r\nDat had ik beter niet kunnen doen. De femme fatale van de buurt, zit toevallig zelf bij haar voedselbakje. En zoals ik al zei, ze heeft nogal een karakter. Mijn snorharen zijn nog maar net door het kattenluikje, of ze begint te blazen. Nu ben ik wel wat gewend en blazende poezen doen me niet zo veel. Maar zodra de rest van mijn kop volgt, besluit mevrouw uit te halen. Met gestrekte voorpoot en uitgestoken nagels, schraapt ze over mijn neus. Het doet pijn en ik voel bloed uit de plek komen waar ze me geraakt heeft. Ik trek mijn kop terug. Dan maar ergens anders heen. Ik heb me nog niet omgedraaid of ik hoor achter me het bekende klepperen van een kattenluikje. Het witte mormel komt me achterna. Zo snel als ik kan, ren ik naar de bosjes, kruip onder de schutting door, de tuin uit. Stom beest. Eerlijk zullen we alles delen! Of kent ze dat gezegde niet? Pfff, vrouwen!\r\nMaar wat moet ik nu. Ik ga toch echt niet achter een muis aanrennen, laat staan een vogel. Echt niet, daar ben ik te oud voor. Laat ik maar eens kijken of dat mens van me het raam al open gezet heeft. Via de boom klim ik weer omhoog naar het lage dak, maar het is vergeefse moeite. Het raam zit nog steeds dicht. Slecht personeelsbeleid. Wat als ik bij de voordeur ga zitten schreeuwen? Zou dat helpen? Geen idee, maar het is het proberen waard. Dus klim ik weer via de boom naar beneden. Ik loop om het pand heen. Op de parkeerplaats kom ik mijn andere buurvrouw tegen.\r\n‘Hij is er niet’, zegt ze, als ik de trap op wil lopen.\r\n‘Hoezo niet?’, vraag ik.\r\n‘Ik zag hem een half uur geleden weg gaan.’\r\n‘Ja, verdomme! Had hij dan het raam niet open kunnen laten! Ik heb honger.’\r\n‘Katten in Biavra, die hebben honger.’\r\n‘Nou trek dan. Ik heb trek!’\r\n‘Je kunt naar de slachterij gaan, daar zijn ze vandaag schapen aan het slachten.’\r\n‘Dan ga ik daar eens een kijkje nemen. Bedankt voor de tip!’\r\n‘Graag gedaan!’\r\n\r\nHet is maar een klein stukje lopen naar de slachterij. De geur van schapen hangt er in de lucht. Ik hoop dat de deur open staat, dan kan ik misschien een worst mee pakken. Als ik het hoekje om loop, zie ik direct dat de deur dicht is. Dat heb ik weer hoor. Oh wacht, daar komt de slager zelf aan lopen. Ik ren op hem af en probeer hem te roepen. Hij verstaat me niet, of hij negeert me, maar hij reageert er niet op. Dat wordt sprinten. Net voor hij de deur open doet, sta ik naast hem en geef kopjes tegen zijn benen. Hij zegt wat tegen me, maar ik versta hem ook niet. Het zal wel goed zijn, want hij aait me over mijn kop. Dat doen mensen altijd als ze je lief vinden. De slager doet de deur open, maar als ik achter hem aan wil lopen, duwt hij me weg. Nou ja zeg! Wat is dit nou weer voor een onzin. Ik roep hem nog een paar keer na, maar de deur gaat niet meer open. Stomme slager! Hij kent zeker dat gezegde ook niet!\r\n\r\nMoet ik nou dan echt mijn eigen eten gaan vangen? Ik heb er zo geen zin in. Het is veel te warm om achter muizen en vogels aan te rennen. Mijn rammelende maag, begint inmiddels te verkrampen. Ik zal wel moeten dus en ik zet koers richting de boerderij, twee straten verderop. In de hooischuur zitten een hoop muizen en die zijn best makkelijk te vangen. Maar wacht, wat ruik ik nu? Het lijkt wel… is het… het zal toch niet? Jawel! Het is vis! Is het alweer visdag vandaag? Elke woensdag staat de visboer op de hoek van de wijk en meestal kun je als kat wel een stukje vis van hem krijgen. Ik word er helemaal gelukkig van en met versnelde pas loop ik richting de visboer. Maar als ik daar aan kom, zie ik niet mijn visboer staan, maar een andere. Waar is mijn visboer gebleven? Zou hij ziek zijn? Wie is dit? Zou ik van hem ook een visje kunnen krijgen? Ik ga het proberen en loop op mijn gemak naar de zijkant van de viskar. De visboer heeft me gezien, maar in plaats van een visje uit de deur gooien. Gooit hij vanuit een emmer een hele lading water mijn kant op. Wat een gemenerd! Ik hoop dat mijn eigen visboer snel weer terug komt! Dan toch maar naar de boerderij.\r\n\r\nIk heb geluk, de deur van de hooischuur staat open. Ik ga op een van de hooibalen liggen en wacht tot er een muis zo dom is om zichzelf te laten zien. Lang hoef ik niet te wachten. Ik lig nog maar net, of een kleine bruine muis steekt zijn kop uit een van de hooibalen. Het zal geen maagvullend maaltje zijn, maar het is al beter dan niets. Het muisje verlaat zijn holletje in de hooibaal. Dom van hem, want nu ga ik hem vangen. Ik druk mezelf plat tegen de hooibaal, waar ik op lig. De muis ziet me nog steeds niet. Met twee sprongen kan ik bij hem zijn. Het ideaal is één sprong, maar hij gaat de verkeerde kant op, dus twee zal wel moeten. Oké, één, twee… Achter me klinkt in eens een hard geblaf. Het is de hond van de boer. Een dikke zwart-witte hond. Maar vergis je niet, ondanks zijn omvang is hij snel. De muis schiet als een speer terug zijn holletje in en ik spring van schrik op. Hij is nog wel een eindje weg, als ik snel ben kan ik hier weg zijn voor hij mij te pakken heeft. Ik zet het op een rennen en de hond komt blaffend achter me aan. Het trekt de aandacht van de boer, die komt kijken wat er aan de hand is. Het is mijn redding. De boer vindt katten wel leuk en nuttig op zijn erf, dus hij roept zijn mormel terug. Maar voor vandaag laat ik de boerderij wel even voor wat het is.\r\n\r\nMijn maag knort nog altijd. Ik moet nu echt voedsel gaan regelen, voor ik flauwval. Dan maar een vogel proberen. Bij mij achter, in de bomen zitten vaak wel een paar vogels. Ik wandel terug naar huis en klim via de boom het lage dak op. In het vogelbadje, dat op het dak staat, zijn een paar vogeltjes te badderen. Eentje, al vang ik er maar eentje. Dat is al een stuk beter dan niets. Ik sluip dichterbij, in de hoop dat de vogels me niet aan zien komen. Drie sprongen, twee sprongen, één sprong, ik ben dichtbij genoeg. Ik bekijk de vogels nog een keer, ze hebben me nog steeds niet door, of ze denken dat ik er niet bij kan. Ik focus me op de dikste, die kan vast niet zo snel weg vliegen. Ik zet me schrap om de sprong te maken en… FUUUUT!! Nog voor ik kan springen ben ik gezien door een andere vogel, die in de boom zit. Met een hoge fluittoon waarschuwt hij de andere vogels in de buurt en ze vliegen allemaal naar de hoge boom. Buiten mijn bereik.\r\n\r\nIk begin wat wanhopig te worden. Ik heb inmiddels echt honger en ik heb geen plek meer waar ik heen kan. Ja, ik weet wel plekken waar eten te krijgen is, maar daar krijg je nooit wat. Misschien is mijn mens inmiddels weer thuis. Ik ga voor het raam zitten, dat open hoort te staan en begin te mauwen. Niets, nakkes, nada, geen beweging in het huis te zien. Wat moet ik nou? In eens schiet me wat te binnen. Ik kan natuurlijk proberen wat te krijgen bij de mensen van het bedrijf hiernaast. Die zullen wel bijna gaan lunchen en sommige staan buiten. Het stinkt daar wel, bij die mensen die buiten staan, maar ze geven nog wel eens een stukje vlees of kaas. Heel soms krijg ik zelfs een beetje melk. Het is het proberen waard en ik klim weer via de boom naar beneden.\r\n\r\nBij het bedrijf zit er een vrouwenmens buiten op het bankje. Ik loop naar haar toe en geef haar kopjes. Ze aait me, maar heeft geen eten bij zich. Ach zo geaaid worden is ook wel even lekker. Ik spring naast haar op het bankje, om bij haar op schoot te gaan liggen. Ze wil het niet, want ze gooit me meteen weer op de grond. Nou ja zeg! Ik wil haar alleen warm houden. Ondankbaar mens. Ik wil net weg lopen, als er nog twee mensen naar buiten komen. Eentje heeft een broodje in zijn hand. Ik ga voor hem zitten en vraag of ik wat mag. Hij begrijpt me ook al niet en geeft me een aai over mijn kop. Gekke mensen, ik vraag toch duidelijk om een beetje voer, maar ze aaien me alleen maar. Pfff ik heb geen zin meer. Ik loop terug naar de bosjes bij het bedrijf en ga liggen, om een poosje te slapen. Het is ook veel te warm om zo druk bezig te zijn.\r\n\r\nVoor mijn gevoel slaap ik nog maar net, als ik heel in de verte een gefluit hoor. Ik draai mijn kop naar de richting waar het fluit vandaan komt en spits mijn oren. Weer klinkt er een fluitje. Ik ken dat gefluit. Het is van mijn mens! Zou hij dan eindelijk thuis zijn? Het heeft ook wel lang genoeg geduurd! Ik sta op, rek me uit en schud het zand van mijn lijf. Daarna ren ik zo snel mogelijk terug richting mijn huis en klim via de boom naar het lage dak. Ja hoor! Het raam is open! Eindelijk eten! Ik spring op de vensterbank en loop door het openstaande raam naar binnen. Maar, wat is dat nou?! Mijn voerbakje is leeg! Die gozer heeft niet eens voedsel voor me neergezet! Je hebt ook niets aan die mensen! Ik wil naar de woonkamer lopen, maar kom in de keuken mijn mens al tegen.\r\n‘GEEF ME VOER!!!!’, schreeuw ik naar hem.\r\nHij kijkt me aan en geeft me een aai. Hij zegt wat tegen me, maar ik versta hem niet. Ik had toch beter moeten opletten toen mijn moeder me leerde over mensen en hun taal. Mijn neus vangt de geur van gebakken kip op. Zou hij dan toch aan me gedacht hebben? Zou ik voor de verandering weer eens wat lekkers krijgen? Ik ga op mijn kont zitten en wacht om te zien of ik wat krijg. Dat heb ik inmiddels wel geleerd, dat je sneller wat krijgt van hem als je rustig en stil wacht.\r\n\r\nMijn mens haalt uit een zak een paar stukken kip. Er komt nog damp vanaf, zo warm is het. Het water loopt me in de mond. Blijven zitten, niet zeuren. Blijven zitten, niet zeuren! Blijven zitten, niet zeuren!! Ik hou het niet meer!!!\r\n‘GEEF ME VOER!!!!’, roep ik weer.\r\nMaar weer krijg ik niets. Ik moet natuurlijk weer wachten en toe kijken hoe hij zes van die stukken kip weg vreet, voor ik een ieniemienie klein stukje krijg. Ja zie je wel, daar gaat hij met het bord kip, naar de woonkamer. Oh wacht, wat doet hij nu? Hij zet het bord op de tafel neer en loopt weer weg. Zo te zien loopt hij naar de WC. Hij laat de deur open, maar ik weet ook dat hij toch niet zomaar op kan springen. Ik kan een poging wagen een heel stuk te jatten. Het is riskant, als hij me betrapt krijg ik helemaal niets. Ja een klap voor mijn kont. Maar dat is alleen als hij me betrapt en áls hij me te pakken kan krijgen. Het is het risico wel waard. Ik loop naar de tafel in de woonkamer, spring erop en pak een van de warme, dampende stukken kip. HEET!! Het is zo heet dat ik het weer uit mijn bek laat vallen.\r\n‘GODVERDOMME!’, klinkt het vanaf de WC.\r\nDat woord versta ik wel. Of tenminste ik weet dat het niet goed is, als hij het roept. Ik zal nu snel een keuze moeten maken. Of blijven zitten in de hoop dat ik het mag houden. Het oppakken, mijn bek branden en naar buiten vluchten. Of gewoon direct vluchten, zonder kip, maar ook zonder tik tegen mijn kont. Hij is nog niet klaar op de WC, want ik heb het water nog niet horen stromen. Ik leg mijn poot op het stukje kip. Het is al wel een stuk afgekoeld. Zo kan ik het meenemen naar buiten, zonder dat ik mijn bek brand. Ja, laat ik dat doen. Ik neem het stuk kip in mijn bek. Het is toch nog heter dan ik dacht, maar nu moet ik doorzetten. Ik ren richting het openstaande raam. Als ik vlak bij de WC ben, is mijn mens net klaar. Sneller, sneller, sneller! Zo snel als ik kan ren ik de slaapkamer in. Nog twee sprongen en dan ben ik buiten. Achter me hoor ik de voetstappen van mijn mens snel naderen. Geen tijd om te berekenen hoe hoog ik moet springen. Gewoon gaan. Sprong één en sprong twee. De vensterbank is bereikt, maar mijn mens is ook heel dicht bij. Hij kan me nog pakken als ik niet snel genoeg op het dak sta. Weer een sprong. Ik voel nog net de vingers van mijn mens tegen mijn staart aan tikken. Hahaha! Mismens!\r\n\r\nIk laat het stuk kip uit mijn bek vallen, zodat het nog verder kan afkoelen. Tenminste dat is de bedoeling, maar nog voor ik het stuk kip neer kan leggen. Duwt mijn mens zijn raam wagenwijd open. Hij past door die opening heen. Ik grom een keertje zijn kant op, maar het helpt niet en hij rent mijn kant op. Ik neem het stuk kip weer in mijn bek, sprint naar de boom en klim naar beneden. Hier kan hij me niet volgen, maar de rest van de dag kan ik me maar beter schuil houden. Dat is voor latere zorg. Nu eerst het belangrijkste. Eten! Eindelijk, kan ik gaan eten.

%d bloggers liken dit: