Toets "Enter" om naar de inhoud te gaan

Naar Het Internaat

Afbeelding van Google Streetview – Hertenkamp, Hollandsche Rading

– Dit verhaal kan als schokkend ervaren worden –

Naar Het Internaat

 

Als ik eerlijk ben viel het op de crisisopvang wel mee. Goed er zat tralies voor de ramen. Ik sliep op een plastic matras. Ik moest er mijn tiende verjaardag vieren. Ik mocht niet naar huis en ik wist niet waarom ik er zat. Maar verder was het wel redelijk te doen. Ik zat er met dertien leeftijdsgenootjes. Ik leerde er orgel spelen. Ik kreeg schoolzwemmen en haalde mijn A-diploma. Er waren spelletjes voor kinderen. We konden muziek draaien als we dat wilden. We mochten van het terrein af als maar duidelijk was waar je heen ging en dat je op tijd terug was. En ik vergeet nu een hoop andere leuke dingen van de crisisopvang.

Het was ook niet helemaal een jaar en drie maanden kommer en kwel. Ik heb zowel in de crisisopvang als op het internaat ook leuke momenten mee gemaakt. Afgezien van het rouwrandje dat een jong jochie opgroeit in een situatie zonder ouders in principe. In eerste instantie zag ik de crisisopvang ook meer als een soort kamp waar ik een tijdje moest blijven. Mijn vader had immers gezegd dat het maar voor even zou zijn. In de weekenden dat ik bij mijn vader was werd er ook altijd gesproken over wat er zou veranderen als ik weer “thuis” kwam wonen. Ik kreeg in die tijd een hoop kaartjes van verschillende opa’s en oma’s, ooms en tantes die me allemaal een hart onder de riem staken en me verzekerde van het feit dat het maar voor even was.

Het tegendeel bleek waar te zijn. Het is begin mei 1998. Mijn begeleidster neemt me even apart. Ik hoef vandaag niet naar school. Joepie een dagje vrij. Na het ontbijt gaan de meeste kinderen naar de basisschool een paar meter verderop. Een half uurtje later worden de andere kinderen opgehaald met een busje. Ze gaan naar een andere school in een ander deel van de stad. Ik blijf als enige over met mijn begeleidster. We drinken nog een kopje thee en ze vertelt me dat we vandaag naar een nieuwe plek gaan. Ik begrijp het niet echt. Hoezo een nieuwe plek? Ik zit hier toch goed? Of mag ik terug naar mijn vader? Dat is geen nieuwe plek. Ze legt uit dat een crisisopvang een soort afkoelperiode is en dat daarna wordt gekeken of je terug naar huis mag of dat je voor langer ergens heen moet.

Tegen het middaguur stappen we de auto in. Ik zit op de achterbank en mijn begeleidster zit naast me. Iemand van het hoofdkantoor rijdt de auto door de straten de stad uit. We rijden voor mijn gevoel ver. Ik herken delen van de omgeving. We zijn in de buurt van Hilversum. Zo rijden we ook naar mijn opa en oma. Maar in Hilversum gaat het anders. Waar ik met mijn ouders altijd rechtdoor ga op de rotonde gaan we nu linksaf. We rijden Hilversum weer uit. Na een tijdje gereden te hebben slaan we weer linksaf. Ik kijk naar het plaatsnaambordje. Hollandsche Rading staat erop. Nog nooit van gehoord. We rijden het spoor over, het viaduct onderdoor en rechtdoor het dorpje weer uit. Een slingerweg leidt ons door het bos. Bij de t-splitsing slaan we rechtsaf en slingeren verder. Tegenover een restaurant slaan we een klein bospaadje in. Aan de rechterkant van de weg staan een paar huizen. Dan doemt een groot veld op. Aan de rechterkant van het veld staat een groot gebouw. Het is het hoofdgebouw. Langs de rest van het veld staan nog meer gebouwen. De auto stopt voor de deur van het hoofdgebouw. De chauffeur en mijn begeleidster stappen uit. Ze zegt tegen me dat ik even moet blijven zitten.

Ze zijn een tijdje weg. Ondertussen kijk ik rond. De kinderen die hier rondlopen zijn allemaal een stuk ouder dan mij. Uit de deur van het hoofdgebouw komen een paar militairen. Ik zal toch niet op een legerbasis terecht komen? Mijn begeleidster en de chauffeur komen samen met nog een vrouw terug bij de auto. Ik mag de auto uit. We lopen over het pad dat over het veld loopt naar een van de vier woongroepen op het terrein. Onderweg verteld de vrouw over het internaat. Ze wijst op het handenarbeidlokaal, de kookschool en de mavo die op het terrein zitten. Ik probeer het allemaal te onthouden. We staan voor de woongroep. Dit wordt jouw afdeling. De Reebokken. Ze doet de voordeur open en loopt voor me uit de woning in. De jongeren zitten aan tafel. De meeste gaan op het terrein naar school en hebben pauze. Ze zijn echt ouder dan mij. De jongste aan de tafel is vijftien jaar. Ik probeer me te verstoppen achter mijn begeleidster. Moet ik echt hierheen? Kan ik niet gewoon in Utrecht blijven?

Een van de begeleiders die aan de tafel zit komt naar me toelopen en stelt zich voor. Hij loopt na het eten even een rondje met me door het huis. Met mijn eigen begeleidster loop ik weer naar buiten. Ik weet niet wat ik moet. Ze neemt me mee naar de achterkant van de woning. Een groot uitgestrekt bos ligt pal achter het huis. Even vergeet ik dat ik tussen allemaal oudere nieuwe mensen terecht kom. Ik woon straks midden in een bos. Er verschijnt een glimlach op mijn gezicht. “Zie je wel dat het zo slecht nog niet is hier”, zegt mijn begeleidster.

We staan weer voor de woning. We zouden wachten tot de rest weer naar school gaat. Niet veel later gaat de zoemer en vliegt de voordeur open. De jongeren die net nog rustig aan tafel zaten te eten lopen luid pratend en rokend naar de school toe. Stuk voor stuk werpen ze me een blik toe. Ik weet niet wat ik ervan moet maken. Het geeft me in ieder geval geen prettig gevoel. We lopen naar binnen. De begeleider die zich net voorgesteld had neemt me mee door de woning. Hij laat me het kantoortje zien, de bel ruimte, de eetkamer, de woonkamer en de keuken. Daarna gaan we naar boven. Hij laat de twee doucheruimtes zien en de toiletten. Hij opent een van de kamers. Dit wordt mijn kamer meld hij me. Het is een kleine kamer, maar ik kan vanuit het raam naar het bos kijken. Het raam kan zo ver open als ik maar wil en… Er zitten geen tralies voor. Nog een voordeel, ik krijg een bed met een gewoon matras.

We lopen weer naar beneden. Ik krijg een kopje thee en er worden me alvast wat regels uitgelegd. Ik moet hier dus wel echt heen. Mijn begeleidster en de chauffeur nemen afscheid van de begeleider. Ik geef een hand. “Tot gauw!”, zegt hij. Tot gauw. Ik blijf toch liever in Utrecht, ondanks dat mooie bos. We stappen de auto in en mijn begeleidster vraagt of ik het een mooie plek vind. Het is wel een mooie plek. Over drie weken verhuis ik erheen. Ik wil het niet. Kan ik niet gewoon in Utrecht blijven? Of nog beter naar huis?

%d bloggers liken dit: